Selecteer een pagina

Producten

Groenten en Fruit

bladgroenten

Bladgroenten zijn planten waarvan voornamelijk het blad wordt gegeten: sla, alternatieve slasoorten, veldsla, andijvie, spinazie, rood- en witloof en peterselie.

Ze bevatten veel vitaminen en mineralen en worden in landen met een gematigd klimaat zowel gekookt als rauw gegeten. In Zuid Europa bestaat een opvallende voorkeur voor (blad)groenten met een bittere smaak, zoals bijvoorbeeld radicchio.

 

fruit

Hard fruit, ook pitfruit genoemd, heeft een dunne schil en stevig tot sappig vruchtvlees. De twee belangrijkste soorten hardfruit zijn appels en peren. In de vrucht zit een klokhuis met zaden of pitten. Dit fruit kan je langere tijd opslaan of bewaren.

In de top-tien van de meest gegeten fruitsoorten neemt de appel de eerste plaats in. Er bestaat een ruime keuze aan variëteiten. Voor iedere smaak en iedere bereiding is er wel een aparte soort.

Peren kunnen in twee categorieën verdeeld worden: handperen en stoofperen. Handperen rijpen na op kamertemperatuur en worden dan steeds zachter en smakelijker. Stoofperen kun je niet rauw eten.

 

koolsoorten

‘Koolsoorten’ is de verzamelnaam voor verschillende soorten kolen. Hiertoe behoren de sluitkolen, wat alweer een verzamelnaam is voor savooikool, witte en rode kool. Die noemen we zo omdat ze worden gevormd door het sluiten van de bladeren tot een bolvormige groente. Andere koolsoorten zijn bloemkool, broccoli en spruitjes. Koolgewassen bevatten veel mineralen (onder andere ijzer) en vitaminen (vooral vitamine C). Bovendien is uit onderzoek gebleken dat ze anti-carcinogene eigenschappen bezitten: het eten ervan zou dus het optreden van bepaalde soorten kanker kunnen voorkomen. In landen met een gematigd klimaat is de teelt vooral gericht op koolsoorten met een lange groeiduur, zoals witte kool, rode kool en bloemkool. Waar het warmer is verbouwt men overwegend snelgroeiende koolsoorten zoals paksoi en Chinese kool.

 

peulvruchtenzwammen

Peulvruchten zijn eigenlijk de zaadjes van een plant. Ze heten peulvruchten omdat ze in een beschermhoesje zitten: de peul. Soms eten we zowel de zaadjes als de peul op. Peulvruchten zijn rijk aan voedingsstoffen en vooral aan eiwitten. Voorbeelden zijn witte bonen, erwten en groene boontjes.

Zwammen bestaan uit vele draadjes die onder de grond zitten. Als de draadjes aan de oppervlakte komen, vormen ze een vrucht, die soms eetbaar is: de paddestoel. De bekendste varianten in onze streken zijn de champignon en de oesterzwam.

 

stengel

Stengelgroenten zijn de verlengde stukjes van de wortel van de plant die boven de grond uitgroeien. Stengelgroenten zouden in feite ook tot de bladgroenten kunnen worden gerekend. Het gaat bij deze groep voornamelijk om de vlezige bladstelen, zoals bij rabarber, venkel, knolvenkel, prei en koolrabi. Ook bamboe en hopscheuten kunnen tot de stengelgroenten worden gerekend. Opvallend bij deze groep is de toepassing van teelt in het donker van sommige soorten: door deze methode ontstaat een wit of lichtkleurig product. Dit “bleken” wordt onder andere toegepast bij asperge, bleekselderij en rabarber.

 

vruchtgroenten

Vruchtgroenten zijn groentesoorten waarvan in hoofdzaak de vruchten worden gegeten. Vruchtgroenten zijn ontstaan uit een al dan niet bevruchte bloem die uitgroeit tot een eetbare vrucht. De grens tussen fruit en groenten is bij dit type niet altijd scherp te trekken. Vruchtgroenten zijn onder te verdelen in drie belangrijke groepen: de peulvruchten (die wij apart benaderen), de komkommerachtigen en de vlezige besvruchten.

De komkommer en de courgette behoren tot de familie van de komkommerachtigen. Tot de vlezige besvruchten van de Solanaceae of nachtschadeachtigen behoren onder andere de tomaat, de paprika en de aubergine. Kenmerkend voor vruchtgroenten is hun behoefte aan warmte. Op enkele uitzonderingen na vragen deze gewassen een hoge kiem- en groeitemperatuur en zijn ze gevoelig voor (nacht-) vorst en lage-temperatuurbederf. Ze worden bij voorkeur niet in de koelkast bewaard.

 

wortel_knol

Wortel- en knolgewassen zijn delen van een plant waarvan de wortel is uitgegroeid tot een eetbare groente. Wortel- en knolgewassen worden meestal tot één groep gerekend, maar er is toch een duidelijk verschil. Bij de knolgewassen vormen zich naast de wortels ondergrondse stengels, de zogenaamde stolonen, die zich aan de top knolvormig verdikken. Bekend voorbeeld van zulke gewassen is de aardappel. Bij wortelgewassen is de penwortel, en soms ook een stukje van de stengel, vlezig verdikt. Soms heeft deze verdikking de vorm van een knol, zoals bij de koolraap, de knolselderij, de consumptieknol en de radijs. In andere gevallen gaat het heel duidelijk om een verdikte wortel, zoals bij de schorseneer, de wortel, de pastinaak en de rammenas.


logo_belorta